Aanwezig
bn., 1. zich op een bepaalde plaatsbevindend, tegenwoordig (van personen); 2. voorhanden, voorradig, ter beschikking staande (van zaken) dit artikel is niet voorhanden in de winkel, maar wel aanwezig in het magazijn; 3. daar zijnde, aangebroken, zijnde (van een tijdstip, een mogelijkheid, een gelegenheid).