Wat is de betekenis van aanvoerder?

2020
2023-01-30
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

aanvoerder

Het begrip aanvoerder heeft 6 verschillende betekenissen: 1) persoon die een groep aanvoert. degene die een groep of beweging leidt en vaak ook vertegenwoordigt; degene die een groep of beweging aanvoert; leider; ook: instantie die een groep aanvoert, zoals een land of een bedrijf. 2) leider van een sportteam. iemand die een sporttea...

Lees verder
2019
2023-01-30
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

aanvoerder

aanvoerder - Zelfstandignaamwoord 1. een bevelhebber, een leider Ajax was de aanvoerder van de competitie. Waarschijnlijk zullen ze kampioen worden. Hij was de aanvoerder van het team. Woordherkomst Naamwoord van handeling van aanvoeren...

Lees verder
2018
2023-01-30
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

aanvoerder

aanvoerder - zelfstandig naamwoord uitspraak: aan-voer-der 1. wie zegt wat er moet gebeuren in een ploeg ♢ de aanvoerder riep dat Jan aan moest vallen Zelfstandig naamwoord: aan-voer-der de aanvoerder ...

Lees verder
1973
2023-01-30
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

aanvoerder

aanvoerder - m. (-s), 1. bevelhebber, leider, hoofd; 2. (ontleedkunde) spier die een lichaamsdeel naar de as van het lichaam voert.

1952
2023-01-30
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Aanvoerder

s., oanfierder, lieder; (bij kwajongensstreken), belhammel, -hammer, opporteur.

1950
2023-01-30
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Aanvoerder

m. (-s), 1. bevelhebber, leider, hoofd; 2. (ontl.) spier die een lichaamsdeel naar de as van het lichaam voert.

Lees verder
1937
2023-01-30
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

aanvoerder

m. -s (mil. hoofd, bevelhebber): een bekwaam -; hij was de -.

1930
2023-01-30
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

aanvoerder

('a:n) m. (-s) hij die aanvoert inz. leider : de der oproerige bende.

1898
2023-01-30
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

aanvoerder

Aanvoerder - m. (-s), bevelhebber, leider, hoofd. AANVOERSTER, v. (-s).