Wat is de betekenis van Aanstaan?

2019
2022-09-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

aanstaan

aanstaan - Werkwoord 1. bevallen, iets of iemand leuk of aangenaam vinden De plannen van de regering staan mij niet aan. 2. een beetje openstaan Kun je de deur aan laten staan, want ik heb de sleutel niet bij me. 3. in werking zij...

Lees verder
2018
2022-09-29
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

aanstaan

aanstaan - onregelmatig werkwoord uitspraak: aan-staan 1. in de smaak vallen, gewaardeerd worden ♢ het staat me niet aan dat hij zo stiekem is Onregelmatig werkwoord: aan-staan het staat aan (... het aanstaat)...

Lees verder
1998
2022-09-29
Woordenboek van populaire uitdrukkingen

Marc De Coster ©, 1998

Aanstaan

ga er maar eens - begin er maar mee; probeer het maar eens klaar te spelen. Deze cliché-uitdr. verraadt het ongeloof van de spreker. Ga der maar aanstaan: op 22-jarige leeftijd in Parijs als gewone Hollandse jongen in de Franse taal optreden voor de kritische ogen van die verwende uitgaanswereld. (Albert Mol: Het doek viel te vroeg, 1977) Ik vind...

Lees verder
1973
2022-09-29
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

aanstaan

aan'staan (stond aan, heeft aangestaan), 1. op een kier staan, niet geheel gesloten zijn (van deuren en vensters); 2. behagen, bevallen, aangenaam zijn: dat antwoord staat mij niet aan; 3. ingeschakeld zijn, werken: de radio, de motor staat aan.

1952
2022-09-29
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Aanstaan

v., oanstean; (behagen), bifalle, sinnigje, foldwaen, noaskje, mûlkje nolkje; dat staat mij aan, dat stiet der by, dat is my nei ’t sin, dat is trewes foar my; niet —, misfalle; het staat mij niet aan, it sinniget my net, ik ha der net folle grap oan; laten — (van deur) oanlit...

Lees verder
1950
2022-09-29
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Aanstaan

(stond aan, heeft aangestaan), 1. op een kier staan, niet geheel gesloten zijn (van deuren en vensters) ; 2. behagen, bevallen, aangenaam zijn: die jongen staat mij aan; dat antwoord staat mij niet aan; 3.(oudt. en gew.) aanstaande zijn, ophanden zijn, genaken ; 4. aandringen, aanhouden: aanstaan doet verkrijgen.

Lees verder
1937
2022-09-29
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

aanstaan

het stond h. -gestaan (bevallen); die jongen, dat antwoord staat mij niet -; ook: de deur staat -, op een kier.

1930
2022-09-29
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

aanstaan

('a:n) (stond aan, heeft aangestaan) 1. op een kier staan : de deur staat aan. 2. op het eerste gezicht een aangename indruk maken : die jongen staat mij aan. Syn. behagen, bevallen, lijken. Tgst. zie: mishagen.

Lees verder
1898
2022-09-29
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

aanstaan

Aanstaan - (stond aan, heeft aangestaan), op eene kier staan (van deuren en vensters); - bij iem. aanstaan op, bij iem. aandringen om iets van hem gedaan te krijgen, ergens op staan, aanhouden; - aanstaan doet verkrijgen, de aanhouder wint; behagen, bevallen, aangenaam zijn (meest van zaken en gemeenz. van personen); (oudt. en...

Lees verder
1864
2022-09-29
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Aanstaan

Aanstaan, ow. onr. (ik stond aan, heb aangestaan), behagen, bevallen, aangenaam zijn; half geopend zijn (van eene deur); het zal nog wel wat - of duren; het staat niet aan mij, het hangt van mij niet af, het is niet in mijne magt. *-DE, td. en bn., in alle bet.; (ook) eerstkomende, op handen zijnde, b.v. de - week, het - jaar, zijne - vrouw. *-DE,...

Lees verder