Wat is de betekenis van aanspraak?

2019
2020-11-27
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

aanspraak

aanspraak - Zelfstandignaamwoord 1. (juridisch) het recht om het bezit of genot van iets te vorderen Hij maakte aanspraak op het recht van overpad. 2. de gelegenheid om te praten De eenzame oude vrouw had behoefte aan wat aanspraak.

Lees verder
2018
2020-11-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

aanspraak

aanspraak - zelfstandig naamwoord uitspraak: aan-spraak 1. gelegenheid om met iemand te praten ♢ ik houd ervan om een beetje aanspraak te hebben 2. het bezit of het gebruik ervan kunnen opeisen ...

Lees verder
2015
2020-11-27
Groot Retorisch Woordenboek | Lexicon van stijlfiguren

Paul Claes, Eric Hulsens

aanspraak

G apostrofè (N apostrof) ‘afwending’, L allocutio (N allocutie) [1] Pragmatische figuur in een pleidooi, waarbij de verdediger zich van de rechter of het gehoor afwendt om zich rechtstreeks tot de aanklager te richten. [2] Pragmatische figuur in verheven stijl, pathetisch aanspreken van de lezer, de toehoorder, een niet aanwezige persoon, een do...

Lees verder
1978
2020-11-27
Germanismen in het Nederlands

Dr. S. Theissen

Aanspraak

De purist Heidbuchel beschouwde aanspraak in de betekenis van ‘toespraak’ als een germanisme (D. ‘Ansprache’). Tot in de jaren ’50 wordt het nochtans in alle woordenboeken als goed en gebruikelijk Nederlands vermeld. Nu echter geldt het algemeen als ongebruikelijk of verouderd. Verschueren is de enige die het nog aan h...

Lees verder
1973
2020-11-27
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

aanspraak

aan'spraak, v./m. (-spraken), 1. gelegenheid om met iemand te spreken: een aanspraak(je) hebben, met iemand kunnen redeneren; hij heeft wel wat — nodig, men mag hem wel eens opzoeken en wat afleiding bezorgen; 2. recht om te eisen: — hebben op iets, recht hebben het te bezitten of het genot ervan te hebben, het met recht kunnen eisen; 3. eis om te...

Lees verder
1936
2020-11-27
Koenen woordenboek

Koenen woordenboek 1936

aanspraak

v. -spraken (1 [enigszins plechtige] toespraak; de op schrift, in druk gebrachte aanspraak; 2 recht om het bezit of genot van iets te vorderen); 1 een — houden, doen; een. vergadering met een openen; heb je de v. d. minister al gelezen ? 2 hebben op iets; — maken op iets, eisen iets te bezitten of te verkrijgen; nog: de zieke heeft wat...

Lees verder
1898
2020-11-27
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

aanspraak

Aanspraak - v. (...aken), het min of meer plechtig toespreken tot één of meer aanwezigen, redevoering, toespraak; — de koning, de minister hield, deed een aanspraak tot de Kamer; het geschrift waarop de aanspraak staat (geschreven of gedrukt); — eene aan-spraak, een aanspraakje hebbe...

Lees verder