Synoniemen van aanspraak

2019-11-22

aanspraak

G apostrofè (N apostrof) ‘afwending’, L allocutio (N allocutie) [1] Pragmatische figuur in een pleidooi, waarbij de verdediger zich van de rechter of het gehoor afwendt om zich rechtstreeks tot de aanklager te richten. [2] Pragmatische figuur in verheven stijl, pathetisch aanspreken van de lezer, de toehoorder, een niet aanwezige persoon, een dode, een god of godin (bv. de muze), een verpersoonlijking (bv. de Dood, de Minne, de Maan) of een object (bv. een wapen). Traditioneel wordt de a...

2019-11-22

aanspraak

Aanspraak - v. (...aken), het min of meer plechtig toespreken tot één of meer aanwezigen, redevoering, toespraak; - de koning, de minister hield, deed een aanspraak tot de Kamer; het geschrift waarop de aanspraak staat (geschreven of gedrukt); - eene aan-spraak, een aanspraakje hebben, gelegenheid hebben om met iemand te spreken; - aan iem. eene aanspraak hebben, met iemand kunnen redeneeren; - hij heeft wel eene aanspraak noodig...

2019-11-22

aanspraak

aanspraak - Zelfstandignaamwoord 1. (juridisch) het recht om het bezit of genot van iets te vorderen Hij maakte aanspraak op het recht van overpad. 2. de gelegenheid om te praten De eenzame oude vrouw had behoefte aan wat aanspraak.

2019-11-22

aanspraak

aanspraak - zelfstandig naamwoord uitspraak: aan-spraak 1. gelegenheid om met iemand te praten ♢ ik houd ervan om een beetje aanspraak te hebben 2. het bezit of het gebruik ervan kunnen opeisen ♢ jij kunt geen aanspraak maken op het servies van oma Zelfstandig naamwoord: aan-spraak de aanspraak...

2019-11-22

aanspraak

aan'spraak, v./m. (-spraken), 1. gelegenheid om met iemand te spreken: een aanspraak(je) hebben, met iemand kunnen redeneren; hij heeft wel wat — nodig, men mag hem wel eens opzoeken en wat afleiding bezorgen; 2. recht om te eisen: — hebben op iets, recht hebben het te bezitten of het genot ervan te hebben, het met recht kunnen eisen; 3. eis om te bezitten of te gebruiken: — maken op iets; ook in de zin van: openlijk beweren; 4. (in de stijlleer) het onverwacht aanspreken van iemand of van...

2019-11-22

aanspraak

('a:n) v. (...spraken;-je) I. Eig. 1. het aanspreken (een doen, houden, richten tot iemand; hij heeft behoefte aan wat -, hij moet al eens wat kunnen praten. 2. Ver oud. het in rechten aanspreken (A I 2). II. Metn. 1. [van 11] aanspraak in geschrifte of druk : een lezen. Syn. rede, redevoering, toespraak. 2. a. [van I 2] Recht, recht om aan te spreken, om het bezit of genot van iets te eisen : een gegronde op iets hebben; zijn ...spraken doen gelden, b. Algm. eis om in het bezit of g...

2019-11-22

aanspraak

v. -spraken (1 [enigszins plechtige] toespraak; de op schrift, in druk gebrachte aanspraak; 2 recht om het bezit of genot van iets te vorderen); 1 een — houden, doen; een. vergadering met een openen; heb je de v. d. minister al gelezen ? 2 hebben op iets; — maken op iets, eisen iets te bezitten of te verkrijgen; nog: de zieke heeft wat nodig, gelegenheid om wat met iem. te praten; behoefte aan -, een -je; Z.-N. hebben, vrijen of gevrijd worden.