Aanlopen
(liep aan, is en heeft aangelopen), 1. in de richting van iem. of iets lopen, varen ; — op de vijand aanlopen, in snelle pas op hem toelopen om hem aan te vallen ; 2. aanlopen bij, zich voor een kort oponthoud, in ’t voorbijgaan ergens heen begeven of er een bezoek brengen; — (van schepen) een haven aanlopen,...