Wat is de betekenis van aankleden?

2019
2021-12-07
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

aankleden

aankleden - Werkwoord 1. meubileren, van toebehoor of uitbreiding voorzien, decoreren, versieren We kunnen de vergelijking aankleden met een voorbeeld uit de praktijk. 2. iets of iemand kleren aandoen In de Amerikaanse stad New Jersey heeft een familie hun zelfg...

Lees verder
2018
2021-12-07
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

aankleden

aankleden - regelmatig werkwoord uitspraak: aan-kle-den 1. kleren aan het lijf doen ♢ wanneer kleden jullie je aan? 2. iets versieren, gezelliger maken ♢ zullen we de zaal een beetje aankleden?...

Lees verder
1973
2021-12-07
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

aankleden

aan'kleden (kleede aan, heeft aangekleed), 1. de kleren aantrekken (m.n. de bovenkleren); 2. zich —, m.n. de kleren aantrekken waarin men zich ergens vertonen wil of die men buitenshuis draagt: mevrouw kleedt zich aan; 3. (fig.) een kamer —, stofferen, de meubelen erin plaatsen; een huis, een toneel —; aangekleed.

1972
2021-12-07
OHS1

Oosthoek Encyclopedie supplement

Aankleden

(kleedde aan, heeft aangekleed), 4. een betrekkelijk kaal verslag over iets of een tamelijk onplezierige mededeling zodanig omkleden met woorden dat het een aanvaardbaar geheel wordt: hij weet zijn verslag altijd wel aan te kleden.

1952
2021-12-07
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Aankleden

v., (oan)klaeije, de klean oandwaen.

1950
2021-12-07
Groot woordenboek der Nederlandse taal - 1950

Nederlands woordenboek (7e druk)

Aankleden

(kleedde aan, heeft aangekleed), 1. klederen aantrekken (met name de bovenklederen); 2. zich aankleden, in ’t bijz. de klederen aantrekken waarin men zich ergens vertonen wil of die men buitenshuis draagt: mevrouw kleedt zich aan; wacht even, dan zal ik me aankleden en ga met je mee; — (w. g.) daarvoor kleed ik mij aan...

Lees verder
1937
2021-12-07
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

aankleden

kleedde -, h. -gekleed; z. aangekleed (kleren aantrekken; ook wel: meubileren): het kind -; een huis -; zich —; -kleding, v.: de — van een (toneel)stuk, décor, costumes etc.

Lees verder