Wat is de betekenis van aangroei?

2019
2020-11-29
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

aangroei

aangroei - Zelfstandignaamwoord 1. toename aangroei - Werkwoord 1. (in een bijzin) eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van aangroeien ♢... dat ik aangroei

Lees verder
1973
2020-11-29
Oosthoek Encyclopedie

De Oosthoek is een Nederlandse encyclopedie die in verschillende uitvoeringen is verschenen

aangroei

aan'groei, m., 1. het aangroeien, toenemen in kracht of aantal, aanwas; 2. (scheepvaart) het zich vastzetten van organismen met een vastzittende levenswijze aan een scheepshuid . Vooral in tropische wateren zetten allerlei plantaardige (algen) en dierlijke (kokerwormen, schelpdieren, zeepokken) organismen zich onder de waterlijn op de scheepshuid v...

Lees verder
1971
2020-11-29
Watersport A-Z

Watersport A-Z, Kramer (1971)

Aangroei

Aangroei - van het onderwaterschip vindt plaats doordat zich daaraan algen, mosselen, → zeepokken of andere biologische levensvormen hechten. Dit gebeurt alleen wanneer het jacht stil ligt of zeer langzaam vaart. Boten die meestal op de kant liggen en alleen te water worden gebracht om ermee te varen, kunnen daarom onder water met gewone water...

Lees verder
1936
2020-11-29
Koenen woordenboek

Koenen woordenboek 1936

aangroei

m. (het toenemen in kracht en aantal): de der bevolking.

1916
2020-11-29
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Aangroei

Aangroei - (boschb.), zie AANWAS.

1898
2020-11-29
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

aangroei

Aangroei - m. het aangroeien, toenemen in kracht of aantal.