Wat is de betekenis van aaneen?

2019
2022-08-10
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

aaneen

aaneen - Bijwoord 1. zonder tussenruimte De zomerhuisjes stonder zeer dicht aaneen. 2. achter elkaar 3. in samenkoppelingen: aan elkaar De politieagent bond de handen van de dief aaneen. Woordherkomst samenstelling van aan en een

Lees verder
2018
2022-08-10
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

aaneen

aaneen - bijwoord uitspraak: aan-een 1. niet gescheiden, niet los ♢ deze letters moet je aaneen schrijven Bijwoord: aan-een Tegenstellingen los

Lees verder
2015
2022-08-10
Typisch Vlaams

Door Ludo Permentier en Rik Schutz

aaneen

aan elkaar De straten stonden blank, in de goten waren de hagelstenen aaneengeklit tot een papperige ijsmassa en uit de zware lucht viel hier en daar nog een verdwaalde druppel. (Stefan Brijs, Kruistochten) Hij vroeg zich af hoe andere schrijvers dat deden, iemand als Withof bijvoorbeeld, die oude sachem die moeiteloos woorden en...

Lees verder
1973
2022-08-10
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

aaneen

aaneen', bw., ongescheiden (in ruimte of in tijd) elkaar opvolgende, zonder tussenpozen, achtereen; onmiddellijk tegen elkaar sluitende; men moet de letters van een woord schrijven.

1952
2022-08-10
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Aaneen

adv., oanienwei, oan ien trie(d) troch; uren —, ûren oer ien boech.

1950
2022-08-10
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Aaneen

b'w., ongescheiden (in ruimte of in tijd) elkander opvolgende, zonder tussenpozen, achtereen; — onmiddellijk tegen elkaar sluitende: men moet de letters van een woord aaneen schrijven; die turven moeten op het. veld niet te dicht aaneen staan; de soldaten moesten aaneen, blijven staan ; — (Zuidn.) bezig met: wat doet gij...

Lees verder
1937
2022-08-10
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

aaneen

bw. (aaneengehecht, verbonden, zonder tussenruimte of pozen): in rijen jaren, uren -; - vormt scheidb. w.w.

1898
2022-08-10
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

aaneen

Aaneen - bw. onafgebroken elkander opvolgende, zonder tusschenpoozen, achtereen; - ongescheiden, naast elkaar, in rijen: men moet de letters van een woord aaneen schrijven, die turven moeten op het veld niet te dicht aaneen staan; toen de stoet voorbijtrok, hadden de soldaten reeds een uur aaneen gestaan. - In...

Lees verder