Wat is de betekenis van aan?

2022
2022-11-27
Jiddisch

Woordenboekje Nederlandse Jiddisch

Aan

een; Nieuwhoogduits ein.

2022
2022-11-27
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2022.

aan

(2013) (< Eng. it’s on) (jeugd) duidelijk aanwezig (zijn); in werking (zijn); goed bezig (zijn). Vnl. onder hiphoppers. • Zo kreeg het simpele woordje aan er een nieuwe betekenis bij. Aan kan in het Nederlands als voorzetsel gebruikt worden, bijvoorbeeld in een zin als ‘Kraantje Pappie geeft de mic aan Kleine Viezerik’. Aa...

Lees verder
2020
2022-11-27
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Aan

Zie Ane

2018
2022-11-27
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

aan

aan - bijwoord, voorzetsel 1. op of om je lichaam ♢ ik heb een trui aan 2. het is in werking ♢ de radio staat aan 3. aan elkaar vast ♢ de kar...

Lees verder
2017
2022-11-27
Wiki

Samenvattingen van Wikipedia artikelen.

Aan

De Aan is een rivier die stroomt door het Zuidereiland van Nieuw-Zeeland. De Aan stroomt vanuit het Innesmeer in de zee aan de zuidkust van het Zuidereiland. Dit artikel is een beginnetje over landen & volken. U wordt uitgenodigd om op bewerken te klikken om uw kennis aan dit artikel toe te voegen.

Lees verder
2004
2022-11-27
Vlaams-Nederlands woordenboek

Peter Bakema

aan

(vz.) - aan wie is het alstublieft [in een winkel], wie volgt, wie is er aan de beurt.- er niet aan kunnen [omdat het te hoog is], er niet bij kunnen, het niet kunnen bereiken.- niet aan de hoge re, niet bij de hoge re.- hij is eraan, heeft verloren, is de sigaar, is erbij, zal eraan moeten geloven.- aan 120 km per uu...

Lees verder
1998
2022-11-27
drs. Toine van Hoof

AUTEUR VAN HET BRIDGE WOORDENBOEK - "BRIDGE OPZOEKBOEK" (UITGAVE 1998)

aan

1. Aanmoedigend. Als betekenis van een signaal. Zie ook: af 2. Aan zijn: geen slag meer mogen verliezen. Gezegd van een leider die voor het maken van zijn contract de rest van de slagen moet halen, en ook wel van het desbetreffende contract. Nooit gebruikt met betrekking tot grootslem (vanaf het begin al ‘aan’) en ook niet na afloop van het spelen...

Lees verder
1973
2022-11-27
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

aan

aan, I. voorzetsel dat in het algemeen verbondenheid uitdrukt, eig. of fig. 1. ter uitdrukking van eigenlijke verbondenheid of aanraking: met de hand — een touw trekken; een knoop — een jas zetten; 2. ter uitdrukking van plaatselijke verbondenheid, van de plaats waar iets is, voorvalt of werking uitoefent of ondergaat: hij woont — de haven; — de gr...

Lees verder
1964
2022-11-27
voornamen

Voornamenboek

Aan

m -> Ane (Gron.).

1963
2022-11-27
Surinaams woordenboek

J. van Donselaar

aan

bn. (niet verbuigbaar), geprikkeld. Alleen in de combinatie ‘aan zijn’. -: aan zijn (was aan, is aan geweest), 1. geprikkeld zijn i.h.a. Een wonder. Ik moest er alles van weten. Mijn onderzoekinstinkt was aan (Dobru 1969: 44). 2. zin hebben, in de stemming zijn. Hé, zullen we een potje troefcall spelen? vroeg vader plotselin...

Lees verder
1952
2022-11-27
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Aan

adv. & praep., oan; de school is de skoalle is yn.

1950
2022-11-27
Groot woordenboek der Nederlandse taal

Nederlands woordenboek (7e druk - 1950)

Aan

I. voorzetsel dat in het algemeen verbondenheid uitdrukt, dg. of fig. — 1. ter uitdr. van eigenlijke verbondenheid of aanraking: met de hand aan de knop van de deur; aan een touw trekken; een knoop aan een jas zetten; — 2. ter uitdr. van plaatselijke verbondenheid, van de plaats waar iets is, voorvalt of werking uitoefent...

Lees verder
1937
2022-11-27
Koenen woordenboek 1937

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

aan

1 vz. heeft twee grondbet.: 1 een rust of beweging binnen zekere ruimte (aan de poort wonen, aan de deur stoten), 2 een beweging naar iets heen (zend dit aan hem); uit deze grondbet. ontwikkelen zich verschillende andere: op: aan wal zijn; tegen: aan de tafel stoten; in de nabijheid: hij woont aan de poort; in of dichtbij: aan de deur staan; tenge...

Lees verder
1930
2022-11-27
Jozef Verschueren

Modern Woordenboek (1930-1961)

aan

(a:n) is vz. en bw., en vormt samenstellingen met verschillende andere woorden. A. vz. met de algemene betekenis van „verbinding”. Deze verbinding kan nauw zijn (aanhechting) los (aanraking), losser (nabijheid) of nog losser, doordat zij alleen bestaat in de „richting naar een doel” dat al of niet benaderd of bereikt wordt....

Lees verder
1916
2022-11-27
Oosthoek 1916

Nederlandse encyclopedie, uitgegeven van 1916-1925.

Aan

Aan - commando uit het schiet voorschrift, waarop het geweer door den schutter in den aanslag gebracht wordt. Het wordt gebezigd: 1) bij de voorbereidende schietoefeningen, om den soldaten te leeren het geweer vlug en op de juiste wijze in den aanslag te brengen; 2) bij het salvovuur, waarbij op het commando „aan” door alle schutters gelijktijdig d...

Lees verder
1910
2022-11-27
Handelslexicon

Handelslexicon (1910) door J. Hagers

Aan

Aan - dit woordje wordt geplaatst in het journaal (en ook wel in andere handelsboeken) vóór de namen der grootboekrekeningen, die gecrediteerd moeten worden. (Zie J. Hagers Koopmansboekhouden deel I). Het tegenovergestelde ervan is per.

1908
2022-11-27
Vivat

Schrijver op Ensie

Aan

de golf van Mexico Tamaulipas Ciudad Victoria Veracruz Veracruz Tabasco San Juan Baptista Campeche Campeche Yucatan Merida Aan den St. Oceaan. Sinaloa Culiacan Tepic Tepic Jalisco Guadalajara Colima Colima Michoacan Morelia Guerrero Tixtla Oaxaca Oaxaca Chiapas San-Christobal Californie La-Paz Centraal Staten. Durango Durango Z...

Lees verder
1864
2022-11-27
Nieuw woordenboek der Nederlandsche taal

I.M. Calisch (1864)

Aan

Aan, vz. en bijw. het vuur is -, het vuur brandt; ik heb mijnen jas -, aangetrokken; dat gaat niet -, dat kan zoo niet gaan of geschieden; daar ligt het -, dit is het moeijelijke van de zaak; de schuit is -, aangekomen; zijt gij er reeds -? reeds zoo ver gevorderd? *-AARDEN, bw. gel. (ik aardde aan, heb aangeaard), met aarde ophoopen, bijwerken, op...

Lees verder
1856
2022-11-27
Jacob van Lennep

Zeemans-woordenboek 1856

Aan

v.z. 1. Op. naar. Aan boord (op het schip). Aan wal (op den wal, te land). Aan den grond zitten (vast zitten op een bank of droogte). Aan lij (op de lijzijde). 2. By, naby. Aan zee gelegen (dicht by de zee). 3. Tot, in handen van. Hy gaf last aan het volk: - hy gaf het bevel aan den eersten officier over. 4. Stijf, dicht. Haal de schoot aan. 5. Aa...

Lees verder