Wat is de betekenis van aai?

2020
2022-01-17
Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

aai

liefkozing met de hand. zachte, liefkozende streek met de hand; liefkozing waarbij met hand iemand strelend aangeraakt wordt. Voorbeelden: De cavia speelt graag en heeft ook wel wat meer aandacht nodig dan alleen een schoon hok, voer en af en toe een aai. http://home.kabelfoon.nl/~lodder/cavia.htm Hier stond ik met mijn armen...

Lees verder
2020
2022-01-17
Meertens Instituut

Nederlandse Voornamenbank

Aai

Vooral Friese naam. Het is mogelijk dat deze naam als verkorting van Adrianus ontstaan is, maar vooral in Friesland en Groningen is een afleiding van namen met de Germaanse stam agi- (zie eg- en vergelijk Age) of van namen met Adel- (zie adel- en vergelijk Ade) het meest waarschijnlijk. In de 17e eeuw werd de naam verlatijnst tot Aienius of Aikeniu...

Lees verder
2020
2022-01-17
Woordenboek van Populair Taalgebruik

Geschreven door Marc De Coster. Uitgegeven op Ensie in 2020.

aai

(1955) (oorspr. euf.) (daarna vnl. Den Haag, inf.) klap. • Toen de fotograaf zich, nadat de klep was geopend, even omdraaide gaf een der leeuwen hem door de tralies heen een „aai" met het gemelde gevolg. (Leeuwarder courant, 11/03/1955) • (Ad van Gaalen en Frans van den Mosselaar: “Kèk mè nâh.”...

Lees verder
2019
2022-01-17
Wiktionary

Nederlandstalige WikiWoordenboek

aai

aai - Zelfstandignaamwoord 1. streling, liefkozing Haar moeder gaf haar een aai over haar hoofd Maar de ouderwetse aai, de letterlijke schouderklop of de borstkroel vinden alle honden véél belangrijker. Ze zijn ouderwets. 2. pijnlijke slag ...

Lees verder
2018
2022-01-17
Muiswerk Educatief

Nederlands woordenboek voor onderwijs

aai

aai - zelfstandig naamwoord 1. strijkende liefkozing ♢ Hilco gaf haar een aai langs haar wang 1. een aai over de bol geven [een complimentje] Zelfstandig naamwoord: aai ...

Lees verder
1973
2022-01-17
Oosthoek Encyclopedie

Nederlandse encyclopedie

aai

aai1, m. (-en), streling; (ironisch) gevoelige kneep of duw.

1972
2022-01-17
ABC van de Hengelsport

Schrijver op Ensie

Aai

Aai - (zie Paling en Zeepaling).

1964
2022-01-17
voornamen

Voornamenboek

Aai

m Vooral Fri. naam. Het is mogelijk dat deze naam als verkorting van Adriaan ontstaan is, maar vooral in Fri. en Gron. is een afleiding van namen met de Germaanse stam agi- (zie eg- en vgl. Age) of van namen met Adel- (zie adel- en vgl. Ade) het meest waarschijnlijk. In de 17e eeuw werd de naam verlatijnst tot Aienius, Aikenius.

Lees verder
1952
2022-01-17
Frysk Wurdboek

Friesch woordenboek

Aai

s., aei.

1937
2022-01-17
Koenen

M. J. Koenen's Verklarend handwoordenboek

aai

I. aai, m. -en (streling); II. aai, zie ai II. aaien, aaide, h. geaaid (1 strelen; 2 fig.vleien; 3 iem. in het geniep opzettelijk pijn doen): 1 de poes —; 2 met de linkerhand —, met de rechter knijpen; 3 iem. gevoelig —.

Lees verder
1898
2022-01-17
Van Dale 1898

Groot woordenboek der Nederlandsche taal

aai

Aai - m. (-en), het aaien, meestal figuurlijk. AAITJE, o. (-s).