2019-06-19

9. bot

9. BOT, bn. bw. niet scherp meer, afgesleten, inz. van de snede van een mes enz. gezegd, ook een bot mes: eene botte schaar; een mes dat bot geschaard is; botte schaatsen; — (fig.) een bot verstand, dat niet gemakkelijk iets vat; ook botte kinderen, niet snugger; vgl. botterik, botmuil; — onbeleefd, onvriendelijk een bot antwoord; — iets bot weigeren, kortaf, op onbeleefde wijze; — te bot of te zot, zonder juiste maat, overdreven in de eene of andere richting; — botte glijbaan, bot...

Lees verder