Algemeen Nederlands Woordenboek

Algemeen Nederlands Woordenboek

Gepubliceerd op 30-05-2017

2017-05-30

vlees

betekenis & definitie

Het begrip vlees heeft 31 verschillende betekenissen:

1) het menselijk lichaam; de mens als lichamelijk, zinnelijk wezen
2) God heeft een lichamelijke gedaante aangenomen; God is mens geworden
3) zacht weefsel van ongewervelde dieren dat gegeten wordt als voedsel, bijvoorbeeld van weekdieren, zoals mossels of oesters, of van schaaldieren, zoals krabben of kreeften
4) wat (financiële) reserves hebben
5) paradoxale werkwijze waarbij men aan een producent of belanghebbende vraagt om zijn eigen product te keuren
6) het een noch het ander
7) niet mager zijn
8) een bron van ergernis of verdriet
9) het is vaak moeilijk om lichamelijke verleidingen of slechte neigingen te weerstaan
10) iemands kind of kinderen
11) een mens in levende lijve, in plaats van een abstractie of beeld
12) lichtgekleurd vlees van gevogelte, kleine zoogdieren zoals konijnen en hazen en van jonge zoogdieren zoals kalveren en speenvarkens
13) al dan niet bereid spierweefsel van gewervelde dieren dat gebruikt wordt als voedsel
14) vlees doorregen met vet
15) het is moeilijk om verleidingen te weerstaan
16) de mens met zijn lichamelijke begeerten en met zwakheden
17) het aardse, het lichamelijke is vergankelijk
18) spierweefsel van mensen en gewervelde dieren; ook: het spierweefsel met de huid er overheen
19) sterven; doodgaan; overlijden
20) donker, roodkleurig vlees, bijvoorbeeld van runderen, schapen of paarden
21) weten met wie men te doen heeft
22) niet mager zijn; eerder dik zijn
23) soort vlees; vleessoort
24) iemands kind of kinderen
25) als het ware door de huid heen snijden
26) vleesproducten die wel een bepaalde bereiding hebben ondergaan, maar die nog bestaan uit ongemalen en ongehakte stukken vlees, zoals ham, tong, filet d'anvers, spek.
27) woekering van bindweefsel op de huid, met een korrelig of ruw oppervlak
28) kleine stukken vlees, bijvoorbeeld een blinde vink of een biestuk
29) vlees in of van een groot stuk, bijvoorbeeld een gebraad
30) zacht weefsel van het vruchtlichaam van vruchten, vruchtgroenten, zwammen of schimmels; vruchtvlees
31) zichzelf benadelen