Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

Gepubliceerd op 30-05-2017

2017-05-30

verkleinwoord

betekenis & definitie

woord voor iets kleins of geliefds.

woord waarvan het achtervoegsel over het algemeen aangeeft dat het als klein en/of geliefd wordt gezien.
In ironisch taalgebruik kan het gebruik van een verkleinwoord ook denigrerend bedoeld zijn.

Voorbeelden:
In de traditionele dialecten van het Nederlands is de vorming van het verkleinwoord (in wat aangeduid wordt als de morfologie) afhankelijk van de plaats van herkomst van de spreker (bijv. 'flessie', 'fleske', 'flesje').
http://www.meertens.knaw.nl/variatielinguistiek/

Door giechelend en onder het uiten van allerhande verkleinwoorden met haar vingers zijn buik te kriebelen, trachtte Anna hem tot ontspanning te brengen.
Stefan Brijs, Arend, 2000

Ze sprak met van die verkleinwoorden: meneertje, centjes, weertje.
Mensje van Keulen, Overspel, 1982