jaargetijde betekenis & definitie

Het begrip jaargetijde heeft 12 verschillende betekenissen:

1) de winter
2) de opeenvolging van lente, zomer, herfst en winter in hun vaste, jaarlijkse cyclus
3) de jaarlijkse periode waarin de temperaturen laag zijn
4) de jaarlijkse periode waarin veel neerslag valt; afhankelijk van de regio ook: de moessontijd
5) de jaarlijkse periode met gunstige weersomstandigheden, doorgaans vanaf de lente tot en met de nazomer
6) elk van de jaarlijks terugkerende, langere of kortere periodes die samenhangen met de onderlinge stand van zon en aarde en die kenmerkende eigenschappen vertonen met betrekking tot de lengte van dag en nacht, het weertype en de staat van vegetatie en gewassen
7) elk van de vier, jaarlijks als lente, zomer, herfst en winter terugkerende periodes waarvan de duur van drie maanden en de typische weersverschijnselen worden bepaald doordat de aarde met een schuine aardas in een baan rond de zon draait, zodat beurtelings het noordelijk dan wel het zuidelijk halfrond meer naar de zon is gericht en meer direct zonlicht ontvangt en de zon achtereenvolgens loodrecht komt te staan boven de evenaar (lentenachtevening), vervolgens boven de Kreeftskeerkring (zomerzonnewende), opnieuw boven de evenaar (herfstnachtevening) en boven de Steenbokskeerkring (winterzonnewende); periode tussen een nachtevening en een zonnewende; seizoen van de lente, zomer, herfst of winter
8) de jaarlijkse periode waarin de temperaturen hoog zijn
9) de jaarlijkse periode waarin weinig of geen neerslag valt
10) jaarlijkse mis of kerkdienst die ter nagedachtenis en voor het zielenheil van een overledene wordt gehouden en bij testament of door nabestaanden wordt ingesteld; jaarlijkse mis voor het zielenheil van een overledene
11) jaarlijks terugkerende periode waarin zich bepaalde gebeurtenissen plegen voor te doen of zekere verschijnselen optreden
12) de herfst

Gepubliceerd op 30-05-2017