Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

Gepubliceerd op 30-05-2017

cipier

betekenis & definitie

gevangenisbewaker.

iemand die voor zijn beroep in een gevangenis de gedetineerden bewaakt; gevangenisbewaker.

Voorbeelden:
Bijna overal in Europa zuchten twee of meer boeven in één cel. Dat is meer werk voor de cipiers, want gevangenen kunnen elkaar te lijf gaan als ze dag en nacht op elkaars lip zitten, maar spaart wel veel geld uit aan accommodatie.
Eduard Bomhoff, Blinde ambitie, 2002

De deur van de cel werd opengegooid, alsof ze nooit gesloten was geweest, en een norse cipier stak zijn pas geschoren smoel naar binnen.
Robin Hannelore, Requiem voor de geitenmelker, 1980

Zo is enerzijds een gevangene niet vrij te doen wat zijn cipiers hem verbieden; zij hebben hem in hun macht en kunnen hem dwingen (verplichten) hen te gehoorzamen.
http://allserv.rug.ac.be/~frvandun/Texts/Articles/Liberalisme,%20samenleving,%20maatschappij.htm