Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

Gepubliceerd op 30-05-2017

bijna-ongeluk

betekenis & definitie

ongeluk dat bijna plaatsgevonden heeft.

ongeluk dat bijna plaatsgevonden heeft; ongeluk dat ternauwernood voorkomen kon worden of net niet plaatsvond; bijna-ongeval.
Vaak, maar niet uitsluitend, in toepassing op verkeersongelukken.

Voorbeelden:
Aanwonenden van de Commissaris De Vos van Steenwijklaan en andere Meppelers klagen steen en been bij de gemeente over de gevaarlijke verkeerssituatie die zich voordoet bij de opgebroken kruising van de 'Commissaris' en de Ceintuurbaan. Gesproken wordt van 'bijna-ongelukken' bij het oversteken van de Ceintuurbaan door voetgangers en fietsers.
Meppeler Courant, 1996

Vannacht kwam mijn pa zat thuis en mijn ma riep ons wakker en ze heeft hem staan uitmaken en hij heeft haar keel toegeknepen en nadien gingen we weer slapen. Zo. O, is 't maar dat. Zeg eens, mijn moeder was bijna dood hé. 'Dan was uw vader bijna een moordenaar. Was een ongeluk. Een bijna-ongeluk. Zij had hem voor zatlap verweten, maar hij drinkt niet, toch niet dat ik weet.'
Geertrui Daem, Koud, 2001

ValuJet, een zogeheten lage-kostenmaatschappij uit Atlanta, Georgia, had sinds begin dit jaar al enkele incidenten met zijn toestellen, zoals afgebroken opstijgingen, technische mankementen en bijna-ongelukken.
De Standaard, 1996