Algemeen Nederlands Woordenboek

Digitaal woordenboek van eigentijdse Nederlands

Gepubliceerd op 30-05-2017

2017-05-30

apotheker

betekenis & definitie

iemand die medicijnen verkoopt.

iemand die voor zijn beroep in een apotheek medicijnen verkoopt die ofwel kant en klaar door de farmaceutische fabriek worden aangeleverd, ofwel ter plekke door de apotheker worden gemaakt en die op recept door een arts voorgeschreven kunnen zijn.

Voorbeelden:
De apotheker is de geneesmiddelendeskundige, die vanuit zijn kennis en deskundigheid op het gebied van geneesmiddelen, met inbegrip van de werking, bereiding en distributie ervan, een goede farmaceutische patiëntenzorg en een rationele, doelmatige farmacotherapie bevordert.
http://www.knmp.nl/Binnenwerk.pdf, 2001

Het aantal banen waar een apotheker in de farmaceutische industrie kan ingeschakeld worden is immers enorm.
http://www.vub.ac.be/downloads/sg-apo.pdf, 2001

De belangrijkste taak van de apotheker toen was het bereiden van de geneesmiddelen. Tegenwoordig worden veel geneesmiddelen door de farmaceutische industrie gemaakt, maar in speciale gevallen is de apotheker ook nu nog zeer goed in staat een medicijn op maat van de patient zelf te bereiden. In de loop der jaren is het werk van de apotheker veranderd: stond hij vroeger dag in, dag uit in zijn vijzel te stampen, nu houdt hij zich veel meer bezig met de begeleiding van de geneesmiddelgebruiker en de voorlichting over medicijnen.
http://www.uwapotheker.be/apokrant/apokrant01/pagina1.html#tekst1_1_1, 1997

Het klassieke 'de arts schrijft voor, de apotheker levert af' is een te simpele voorstelling van zaken, zoals blijkt uit bovenstaande opsomming.
http://www.knmp.nl/Binnenwerk.pdf, 2001

Magistrale bereidingen zijn geneesmiddelen die de apotheker zelf vervaardigt.
De Standaard, 1996

Er zijn tamelijk veel vrouwelijke apothekers en een behoorlijk aantal van hen kiest bewust voor parttimewerk, wat binnen een bestaande apotheek dikwijls geen probleem vormt.
http://www.vub.ac.be/downloads/sg-apo.pdf, 2001