Alexandra van der Geer

Research Associate, Naturalis Leiden

Gepubliceerd op 25-03-2016

2016-03-25

fossiel

betekenis & definitie

Een versteend overblijfsel van dieren, planten, insecten en andere levensvormen of sporen daarvan

Een fossiel is een tastbaar bewijs van vroegere levensvormen. Dit kunnen de resten zijn van het organisme zelf, van hun afdrukken of sporen of van hun producten. Van een organisme blijven doorgaans alleen de harde delen bewaard, zoals het skelet, gebitselementen, huidpantsers, geweien en hoorns. De zachte delen, zoals organen en spieren, gaan vrijwel altijd verloren. Soms echter, onder special omstandigheden, wordt een kopie of afdruk gevormd. De schedel kan bijvoorbeeld, nadat de hersenen vergaan zijn, gevuld raken met een sediment, dat in de loop van duizenden jaren uithardt en zo een kopie vormt van de oorspronkelijke hersenen. Weekdierfossielen zijn een ander bekend voorbeeld van versteende afdrukken, waarbij de schelp vaak en het dier zelf altijd verloren is gegaan. Huid, haren en veren vallen ook onder de zachte delen omdat ze snel vergaan onder natuurlijke omstandigheden. Echter, in bepaalde afzettingen kunnen ze afdrukken achterlaten, waardoor de oorsponkelijke vorm bewaard blijft. Zo weten we bijvoorbeeld dat veel dinosauriërs veren hadden, en ook welk type.
Poot- en voetafdrukken, kruip- en graafsporen worden op dezelfde manier als haren en veren bewaard: als negatief, gedrukt in een geschikte laag en daarna snel afgedekt met een sediment dat verhardde. De bekendste fossiele producten zijn eieren, waarvan er duizenden tot op heden bewaard zijn gebleven, soms in nesten en soms met het jong er nog in. Uiteraard is van dat laatste alleen het skelet over, en uiterst zeldzaam afdrukken van veren of huid.