Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Gepubliceerd op 17-11-2021

Ras

betekenis & definitie

1. (plantenveredeling) Een r. is een groep van planten, die zich voldoende onderscheidt van andere groepen binnen dezelfde botanische soort, naar praktische maatstaven voldoende gelijkvormig is en voldoende constant reproduceerbaar is. Het begrip r. staat los van de botanische vaktermen en omvat al naar omstandigheden een populatie, een zuivere lijn of een kloon en heeft betrekking op de eenheden, die in de praktijk onderscheiden worden (z.

Kwekersras, Landras, Groepras, Grondras). In woordverbindingen als b.v. rassenlijst, rassenonderzoek, rassenkeuze, Centraal Rassenregister, rasechtheid, raszuiverheid, enz., heeft het woord r. algemene toepassing gevonden. Waardevolle r. worden als aanbevelenswaardige of beproevenswaardige r. aangeduid. H. DE HAAN2. (veet.)
a. Definitie. De kleinste groep, die de dierkundige bij de indeling van het dierenrijk onderscheidt is gewoonlijk de soort. Ten hoogste wordt deze nog ingedeeld in enkele var. De veeteeltkundige echter gaat bij de bestudering van de huisdieren verder, omdat daar, door de invloed van de mens met kruisingen, selectie enz. en door de invloed van dikwijls veranderde uitwendige omstandigheden (verschil in leefwijze, voeding enz.) binnen de soort nog weer een aantal groepen van dieren zijn ontstaan, die hij r. noemt. Het ene r. onderscheidt zich duidelijk van het andere, maar niet steeds in dezelfde eigenschappen. Het is moeilijk een volkomen volledige en absoluut juiste omschrijving te geven van het begrip ras.

BAKKER zegt dat een r. is een groep van dieren, van eenzelfde soort, die óf onder invloed van de cultuur óf ten gevolge van klimaatverhoudingen zich van hun andere soortgenoten in één of meer opzichten regelmatig onderscheiden. KRONACKER zegt, dat een r. is een groep dieren van eenzelfde soort, die op grond van hun afstamming, van bepaalde morphol. en physiol. eigenschappen en van het doel waarvoor ze worden gefokt, sterk op elkaar gelijken. Die gelijkenis betreft zowel de uitwendige kenmerken, aard en grootte der productie, als ook de voor het leveren van die productie gestelde eisen, wat betreft voeding en verpleging. Verder onderscheiden ze zich van andere diergroepen van dezelfde soort en bovendien krijgen ze onder gelijkblijvende uitwendige omstandigheden gemiddeld een nakomelingschap met overeenkomstige productie en gelijke uitwendige kenmerken. Andere schrijvers geven andere, soms nog ingewikkelder omschrijvingen. Deze bevredigen geen van alle, maar in de praktijk is voldoende duidelijk wat in de veet. onder een r. wordt verstaan,

b. Ontstaan. De oudste huisdierrassen moeten er ongeveer hebben uitgezien als de wilde stamvormen, die men ving, temde en tot huisdier maakte. Dit geschiedde heel lang geleden. Daarna zijn door verschillende oorzaken geleidelijk sterke veranderingen opgetreden en tevens ook meer r. ontstaan. Een r. is nl. niet onveranderlijk. Onder gelijke omstandigheden moeten de nakomelingen dezelfde eigenschappen vertonen als de ouders. Dat sluit in, dat door verandering van de omstandigheden wijzigingen op kunnen treden. Maar bovendien zullen de nakomelingen van 2 ouders, als het geen eeneiige tweelingen zijn, nooit onderling precies aan elkaar gelijk zijn. Nog minder kans daarop beslaat bij de nakomelingen van verschillende tot het r. behorende dieren. Ze zullen wel de raseigenschappen gemeen hebben en daarvoor ook fokzuiver zijn, maar een groot aantal andere eigenschappen zal bij het ene dier wel en bij het andere niet aanwezig zijn.

Zo bestaat er binnen het r. een vrij grote variabiliteit. Reeds wanneer 2 dieren in 2 eigenschappen verschillen krijgt men bij voortfokken in de 2e generatie nieuwe combinaties van eigenschappen. Wanneer men b.v. met elkaar paart een hoornloos zwartbont en een gehoornd roodbont rund dan is het mogelijk daaruit naast dieren, die met de ouders in deze kenmerken overeenkomen, ook dieren te fokken, die zwartbont en gehoornd of roodbont en ongehoornd zijn. Als men nu bedenkt, dat ook de dieren van eenzelfde r. nog in honderden eigenschappen van elkaar verschillen, zal men enigszins een idee kunnen krijgen van de grootte der variabiliteit, die er binnen een r. bestaat. Ten slotte kan de variabiliteit nog vergroot worden door het optreden van mutaties. Of deze bij onze huisdieren veel voorkomen is niet met zekerheid bekend.

Het zal echter duidelijk zijn, dat het mogelijk is, door in een bepaalde richting te selecteren, groepen dieren te krijgen, die een andere eigenschappencombinatie vertonen dan andere groepen van eenzelfde r. Meermalen heeft men zo een r. gesplitst in kleinere r., tegenwoordig noemt men deze kleinere groepen dan veelal slagen.

Er is echter nog een andere omstandigheid, die het optreden van nieuwe r. mogelijk maakt. Verschillende van onze huisdieren zijn nl. in verschillende delen der wereld gedomesticeerd uit verschillende wildvormen. Dat gaf verschillende huisdierrassen, en kruising van dgl. r. leverde nog weer nieuwe r. op. Een mooi vb. daarvan heeft men in de Eng. varkensfokkerij, waar men het van het Eur. wilde varken afstammende oude Eng. r. kruiste met uit China afkomstige van het Az. wilde varken afstammende varkens. Zo ontstond het z.g. Klein Yorkshire, een uitgesproken spekvarken. Klein Yorkshire x Engels landvarken leverde het Groot Yorkshire, een veel vleziger ras en Klein Yorkshire X Groot Yorkshire leverde het Midden-Yorkshire.

Zo maakte men dus door kruising van 2 r. er 3 nieuwe r. bij. Ook bij andere huisdiersoorten zijn vele vb. te vinden, dat men nieuwe r. maakte, door kruising van 2, of soms ook van meer bestaande r. Vooral in de Ver. St. heeft men zo vele nieuwe r. gemaakt. Soms maakten deze veel opgang, vaak ook bleken ze niet van betekenis te zijn (z. Nieuwvormingskruising).

TH. DE GROOT

Lit.: C. KRONACKER, Allgemeine Tierzucht, 3e Abteilung, Berlin.