Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Gepubliceerd op 17-11-2021

Grond

betekenis & definitie

Materiaal waaruit de bodem is opgebouwd. Ook gebruikt in de betekenis van bodem, grondsoort enz.

Vaak worden de woorden grond en bodem en hun samenstellingen door elkaar gebruikt. In de moderne bodemkundige lit. vindt men de woorden grond en bodem voorn. gebruikt in de eerst aangegeven betekenis. In vele gevallen hebben het woord grond en de daarmee gemaakte samengestelde woorden betrekking op de bouwvoor. Bovengrond meest gebruikt in de betekenis van de bouwvoor.

Ondergrond, deel van de bodem beneden de bouwvoor.

Diepere ondergrond. meestal deel van de bodem op ca 1 of meer m beneden maaiveld.

Grond beslaat uit korrels van diverse grootte en vorm. Hij is opgebouwd uit vaak verschillende mineralen en verder uit organische stoffen (humus, wortelresten, lichamen van micro-organism en). Tussen en aan de korrels vastgehecht bevindt zich water en lucht. In 1 g grond komen gemiddeld 2.000.000 ééncellige organismen, 80.000.000 bacteriën en 150.000 gisten voor. de korrels waaruit de grond bestaat zijn door humusstoffen of kalk tot kleine kluitjes, soms van enkele mm aan elkaar gekit. De kleine deeltjes en de humus bezitten electrische krachten, waardoor er kationen resp. anionen aan gebonden zijn.

Al naar de m.o.m. binding van waterstof-ionen noemen we een grond zuur of minder zuur; is er veel kalk (Ca-ionen) gebonden dan reageert de grond alkalisch. Plantenwortels zijn in staat de ionen uit de grond op te nemen. Naast allerlei vrij onbekende levensprocessen spelen ook hierbij elektrische krachten een rol. De aan de grond en humusdeeltjes gebonden ionen kunnen in het bodemvocht in oplossing gaan en daaruit worden opgenomen, eveneens kunnen de plantenwortels rechtstreeks ionen van de gronddeeltjes opnemen. Deze reacties spelen zich af aan de oppervlakte van de gronddeeltjes. Vooral de deeltjes kleiner dan 0,002 mm (lutumfractie en de humus spelen hierbij een grote rol.

Zand- en leemgronden bestaan voorn. uit kwarts, veldspaat (Ca-, Na-, of K-aluminiumsilicaten) en glimmer (Mg-, K-, Al-, Fc-silicaten).

Kleigronden zijn voorn. samengesteld uit kwarts, veldspaten, glimmers en waterhoudende ijzer- en aluminium-oxyden en -hydroxyden. Deze deeltjes zijn ontstaan uit vaste gesteenten, die door verwering geheel verpoederd zijn; soms kunnen ook door remineralisatie (hergroepering van afzonderlijke mineraaltjes) nieuwe mineralen ontstaan.

Veelal zijn de deeltjes door lucht of water verplaatst en daarna weer afgezet (gesedimenteerd). Dit zijn sedimenten. Grond heeft natuurk., scheik. en biol. eigenschappen. Onder de eerste rekenen we b.v. de structuur, de doorlatendheid, hel vochthoudend vermogen, het wateropzuigend vermogen, de bodemlucht. Van de scheik. eigenschappen zijn reeds enkele genoemd, verder behoren er toe de reserve aan plantenvoedende stoffen, de binding van de ionen, de zuurgraad of pH.

De biol. eigenschappen hangen nauw samen met de hoeveelheid en de soort organismen, die in de bodem voorkomen. Zij vormen het levende bestanddeel; dode stoffen worden afgebroken, nieuwe worden opgebouwd. Het beste milieu voor het biol. leven is een vochtige, warme, luchtige, voedselrijke grond met een vrijwel neutrale reactie. Is er onvoldoende lucht, dan sterven vele microorganismen; alleen de organismen, die zonder zuurstof kunnen leven (de anaërobe, organismen), blijven over. Er ontstaat een gereduceerd milieu, waarin de plantenwortels afsterven. In een te droge grond houdt het biol. leven eveneens grotendeels op.

De mens is ook een grote biol. factor, doordat deze met allerlei hulpmiddelen (bewerking, bemesting, zaaien en oogsten) de biologie van de bodem beinvloedt.

P. BURINGH.