Agrarisch Encyclopedie

Veerman (1954)

Gepubliceerd op 21-01-2021

Braak

betekenis & definitie

is het onbezaaid of onbeplant laten van een perceel, nadat het een groter of kleiner aantal jaren akkergewassen gedragen heeft. De reden voor het ‘braak laten liggen’ kan economische of sociale oorzaken hebben (niet lonend zijn van de teelt op dat perceel: het verlaten van bedrijven), doch gewoonlijk is de reden, dat een of meer noodzakelijke groeivoorwaarden onvoldoende verwezenlijkt zijn en de middelen ontbreken om deze snel te verbeteren.

De grond kan b.v. sterk onder het onkruid zitten of te arm zijn aan voedingsstoffen of aan water. Is het nodig om de watervoorraad aan te vullen, hetgeen in droge streken kan voorkomen, of om onkruiden te verdelgen, dan past men de zwarte of bewerkte braak toe, waarbij door opeenvolgende grondbewerkingen de onkruiden lot kieming gebracht en kort daarna weer vernietigd worden. Het loshouden van de grond bevordert het opnemen van het neerslagwater en belemmert de verdamping, terwijl ook het onkruid weinig gelegenheid krijgt de watervoorraad aan te spreken (z. Dry farming). Tijdens de rustperiode heeft de grond tevens gelegenheid om door vertering (biologische verbranding) van organische stof, door verwering en via de met de neerslag aangevoerde voedingsstoffen weer in een betere bemestingstoestand te geraken.

De duur van de braaktijd is sterk verschillend. In de primitieve landb. wordt de grond soms verscheidene jaren niet bebouwd. Iets dergelijks kende men vroeger in onze streken ook; men liet de grond dan weer aan de natuur over en de aanvankelijk armelijke, op de duur wat verbeterende plantengroei (braaklandflora) diende als weide voor het vee (z. Driest). In een op wat hoger peil staande landb. wordt de b. veelal opgenomen als vaste schakel in de vruchtomloop.

Laat men de grond een heel jaar rond onbebouwd, dan spreekt men van volle b. Deze kan men b.v. om de drie of vier jaar inschakelen; zo mogelijk bemest men dan ook nog met stalmest, waarna men de nieuwe twee- of meerjarige gewassenreeks begint met dat gewas uit de omloop, dat de hoogste eisen stelt. Bij ons was dat vroeger b.v. koolzaad. Bij een wat andere inrichting van de vruchtomloop kan men ook een gedeelte van het jaar braken (halve b.), b.v. wanneer klaver in de voorzomer wordt ondergeploegd en de akker tot de herfst gebraakt wordt, alvorens men het volgende gewas (b.v. wintergraan) zaait.

In een hoogstaande landb. past de b. eigenlijk alleen nog maar, indien het nodig is om water te besparen. Voor het bereiken van de overige doeleinden van de b. wordt dan de tussentijd tussen twee gewassen gebruikt. Men kan nog spreken van stoppelbraak, wanneer men de graanstoppel enige malen grondig bewerkt ter voorbereiding voor het volgende gewas.