Agrarisch

Agrarisch Encyclopedie

Gepubliceerd op 21-01-2021

Atmosfeer

betekenis & definitie

ook wel dampkring genoemd, is het gasvormige omhulsel van de aarde. Men onderscheidt hierin drie lagen, nl. (1) de troposfeer; dit is de onderste laag.

Hierin wordt bij toenemende hoogte in verreweg de meeste gevallen een steeds lagere temp. gevonden: gemiddeld is de temp. bij een stijging van 1000 m ongeveer 6°C lager geworden. In de troposfeer spelen zich de belangrijkste gebeurtenissen af, die met het weer samenhangen.Hierin ontstaan de wolken, die de neerslag kunnen brengen en die vaak het gevolg zijn van sterke verticale bewegingen (vandaar ook de naam troposfeer, d.i. de sfeer der veranderingen). De troposfeer reikt tot 6 à 18 km hoogte; de bovenste begrenzing wordt tropopauze genoemd.

Deze bevindt zich in de regel het hoogst boven de evenaar en het laagst boven de polen; (2) de stratosfeer, waarin de temp. niet meer afneemt bij toenemende hoogte, maar in het onderste deel althans meestal gelijk blijft. Op grotere hoogte neemt de temp. zelfs weer toe met de hoogte, hetgeen met de aanwezigheid van een sterke concentratie van ozon (ozonlaag op omstreeks 30 km hoogte) in verband wordt gebracht; (3) ionosfeer, gelegen boven ongeveer 45 km hoogte.

Deze is gekenmerkt door een sterk geïoniseerde toestand, waarin lagen van maximale ionisatie voorkomen. Deze lagen spelen een zeer belangrijke rol bij het radioverkeer, terwijl zij een invloed uitoefenen op het magnetische veld van de aarde. Ook ontstaat het poollicht of noorderlicht in de ionosfeer.

De samenstelling van de a. is tot op ongeveer 30 km hoogte bekend. Tot op dit niveau is de samenstelling vrijwel constant, de voornaamste gassen, waaruit droge lucht bestaat, zijn: stikstof (78 %), zuurstof (21%), argon (minder dan 1%) en koolzuur (0,03%). Neon, krypton, helium, ozon, xenon en waterstof zijn samen minder dan 0,01 %.

De hoeveelheden stikstof en argon zijn zeer constant, terwijl vooral de hoeveelheid koolzuur sterk varieert (deze is boven land groter dan boven zee:. Verder bevat de lucht een zeer veranderlijke hoeveelheid waterdamp, die ook als een gas kan worden beschouwd. Waterdamp wordt vooral door wateroppervlakken in de a. gebracht (verdamping) en in mindere mate ook door verbrandingsprocessen. Deze waterdamp gaat in vloeibare of in vaste vorm over bij het vormen van wolken.

De a. oefent door haar gewicht een druk op het aardoppervlak uit, die ongeveer gelijk is aan de druk van 760 mm kwik of 1013 millibaren (1 millibar = 1000 dyne/cm2). Deze druk is niet overal dezelfde; de bovengenoemde waarde geldt voor zeeniveau, maar op hoger gelegen delen van de aarde wijst de "barometer een aanzienlijk lagere stand aan. De luchtdruk op een bepaalde plaats is bovendien aan wisselingen onderhevig; deze zijn op zeeniveau tussen ongeveer 1060 en 940 mbar gelegen. Enkele malen (o.a. in trop. cyclonen) zijn barometerstanden onder 940 mbar gemeten.

Indien van een bepaald punt in de a. de luchtdruk is gemeten en ook de druk aan de grond, dan kan men de hoogte van dat punt berekenen als ook de temp. op iedere hoogte onder dat punt bekend is. H. TEN KATE.